Staat EDI diepgaand leren in de weg?
Binnen ervaringsgericht onderwijs kijken we op de eerste plaats naar de kwaliteit van het leerproces. Welbevinden en betrokkenheid zijn daarbij geen bijzaak, maar dé kwaliteitsindicatoren van goed onderwijs. Wanneer een kind zich veilig voelt en met volle aandacht opgaat in zijn leren, ontstaan de beste voorwaarden voor diepgaand leren.
Leren wordt gezien als een actief, betekenisvol proces. Kinderen doen nieuwe kennis op door te onderzoeken, te ervaren en te spelen. Ze stellen vragen en leggen verbanden binnen een rijke leeromgeving die speciaal voor hen is gecreëerd.
Tegelijkertijd vraagt betekenisvol leren ook om inhoud: kennisoverdracht doet ertoe (Kirschner, 2020). Kinderen hebben voorkennis nodig, ‘haakjes’ waaraan nieuwe informatie wordt opgehangen. Zonder een basis aan informatie, begrippen en vaardigheden, is het lastig om tot verdieping te komen.
Het activeren van voorkennis vraagt om meer dan het ophalen van losse feiten. Door rijke, open vragen te stellen nodig je als leerkracht je leerlingen uit om te verwoorden wat zij al weten, denken en vermoeden. Zo wordt het volledige potentieel van de groep aangesproken en wordt zichtbaar waar ruimte is voor verdieping. Heb daarbij hoge verwachtingen van je groep: niet door antwoorden te geven, maar door ervan uit te gaan dat alle leerlingen iets waardevols in te brengen hebben. Zo wordt voorkennis niet alleen opgehaald, maar actief ingezet als vertrekpunt voor verder leren.
Een goede instructie is daarom een essentieel onderdeel van de rijke leeromgeving. Een instructiemodel als EDI biedt hiervoor een helder kader: duidelijke leerdoelen, activeren van voorkennis, voordoen, begeleid oefenen en controleren van begrip. Dit draagt bij aan voorspelbaarheid en houvast, wat óók het welbevinden van leerlingen ondersteunt.
Maar wanneer onderwijs alleen inzet op het volgen van stappen, het correct uitvoeren van opdrachten of het reproduceren van kennis, zonder dat leerlingen actief betekenis geven, ontstaat het risico op oppervlakkig leren. Vanuit een ervaringsgericht perspectief gaat het niet om de vraag óf we EDI inzetten, maar om wanneer we het loslaten.

Ontdekken of eerst instructie?
Binnen het ervaringsgericht onderwijs gaan we ervan uit dat er niet één juiste volgorde van leren bestaat. Soms is het krachtig om kinderen eerst te laten ontdekken: door te experimenteren, te proberen en zich te verwonderen ontstaat betrokkenheid en een intrinsieke leervraag. In zulke situaties kan instructie later volgen, als verdieping of als ordening van wat al ervaren is.
Daarbij is het belangrijk onderscheid te maken tussen zelf ontdekkend leren en begeleid ontdekkend leren. Bij zelf ontdekkend leren krijgen kinderen weinig tot geen ondersteuning en onderzoek laat zien dat deze vorm van leren gemiddeld minder effectief is dan directe instructie (Mayer, 2004). Tegelijkertijd tonen studies aan dat begeleid ontdekkend leren, waarbij de leerkracht doelgerichte leerkrachtimpulsen inzet, juist krachtige leerresultaten kan opleveren (Alfieri et al., 2011).


Leerkrachtimpulsen zijn korte, bewuste interventies zoals het stellen van verdiepende vragen, het aanreiken van een voorbeeld, het expliciteren van een denkstap of het geven van gerichte feedback. Deze impulsen zorgen ervoor dat het ontdekken niet vrijblijvend is, maar doelgericht blijft en leidt tot diepere, betekenisvolle kennisopbouw.
Recent onderzoek ondersteunt deze gedachte. Zo pleit De Jong (2025) voor een combinatie tussen directe instructie en meer ontdekkend leren. De Jong beschrijft in zijn artikel hoe principes van directe instructie kunnen worden geïntegreerd in het ontwerp van onderzoekend leren (inquiry-based learning). Het doel is om een leeromgeving te creëren waarin kinderen zowel gestructureerde begeleiding als ruimte voor eigen ontdekking en exploratie krijgen.
Bovendien weten we dat verschillende leerdoelen om verschillende aanpakken vragen. Voor het aanleren van basiskennis, bepaalde vaardigheden en het structureren van denkstappen is directe instructie gemiddeld effectiever, met name voor leerlingen met weinig voorkennis (Stockard et al., 2018). Creativiteit en probleemoplossend vermogen komen juist meer tot ontwikkeling in leercontexten waarin ruimte is voor exploratie en eigen denkprocessen (Zhao, 2017).

Duurzaam leren ontstaat wanneer de betrokkenheid hoog is, leerlingen actief verbanden kunnen leggen en kennis kunnen toepassen in wisselende, betekenisvolle contexten (Bransford, 2000). Het gaat dus niet om een keuze tussen instructie of ruimte bieden, maar om de mate en het moment van begeleiding.
Een afweging die vraagt om een ervaringsgerichte houding van de leerkracht: wanneer is ruimte nodig om te verkennen en wanneer helpt gerichte instructie om het leren te verdiepen en te structureren? De zeven betrokkenheidsverhogende factoren van Laevers (2013) kunnen leerkrachten houvast bieden bij deze afweging. Ze helpen bewust te observeren hoeveel ruimte er is voor initiatief, hoe actief kinderen aan de slag kunnen en op welke manieren zij opgedane indrukken en kennis kunnen uitdrukken.
Wanneer leraren nieuwsgierig en explorerend ingesteld zijn, zien ze beter de groeikansen voor hun leerlingen. Ze kunnen dan samen op ontdekking.
Ludo Heylen — De school van je leven
EDI in een ervaringsgerichte leeromgeving
Wanneer EDI wordt ingezet als middel en niet als doel op zich, kan het goed passen binnen het ervaringsgericht onderwijs. De instructie maakt dan onderdeel uit van een leeromgeving die uitnodigt tot actief leren, samenwerken, vragen stellen en reflecteren.
Bijvoorbeeld: In een thema over water ontdekken kinderen onder begeleiding hoe water stroomt, absorbeert of verdampt. Ze bouwen, experimenteren en verwoorden hun bevindingen. De betrokkenheid is hoog. Daarna geeft de leerkracht een korte, gerichte instructie over begrippen als verdampen en condenseren, waardoor de ervaring wordt verdiept en gestructureerd.


De rol van de leerkracht
Laevers en Heylen (2013) benadrukken dat de rol van de leerkracht binnen het EGO niet alleen is om kennis over te dragen, maar om het leerproces van kinderen te ondersteunen. Het gaat erom dat zij meegaan op de ervaringsstroom van hun leerlingen en zich verplaatsen in wat het kind voelt, denkt, wil en beleeft. Zo ontstaan kansen voor betekenisvol leren.
Dat betekent dat niet één aanpak altijd passend is, maar je soms ruimte moet laten, soms expliciet moet instrueren en soms samen moet onderzoeken. Juist deze professionele afweging maakt het onderwijs krachtig.
Tot slot
Het gaat dus niet om de vraag of EDI ten koste gaat van diepgaand leren, maar om de manier waarop de leerkracht zijn keuzes onderbouwt en afstemt op de leerlingen en de leerdoelen. Door instructie te combineren met ruimte voor ontdekken en toepassen, wordt leren betekenisvol. Zo worden krachtige instructies een natuurlijk onderdeel van de rijke leeromgeving, waarbij een sensitieve leerkracht continu afstemt op wat kinderen op dat moment nodig hebben.
Themabrief geschreven door Jonne Lommers — Het centrum voor Welbevinden en Betrokkenheid




